Allein Gott in der Höh sei Ehr betekent: “Alleen aan God in den hoge zij eer.” De tekst is een Duitse parafrase van het Gloria uit de katholieke mis. In de Lutherse traditie werd het een belangrijk loflied dat al sinds de zestiende eeuw wordt gezongen. Het koraal behoort tot de bekendste kerkliederen van de Reformatie en drukt een eenvoudige maar krachtige gedachte uit: alle eer en vrede komen van God alleen. Johann Sebastian Bach gebruikte deze melodie verschillende keren in zijn orgelwerken en behandelde haar telkens op een andere manier.
Dit stuk behoort tot de Leipziger Choralen, een verzameling grote orgelkoralen die Bach in zijn latere jaren in Leipzig samenbracht. In deze versie ligt de koraalmelodie als cantus firmus in de tenor. De melodie klinkt in lange, gedragen noten in het midden van de textuur, terwijl de andere stemmen zich vrij daaromheen bewegen. In deze bewerking gebeurt iets typisch Bachiaans:
• De koraalmelodie klinkt rustig en plechtig in de tenor.
• De bovenstemmen bewegen zich sierlijk en vloeiend boven de melodie. • De begeleiding geeft de muziek een kalme, voortdurend stromende beweging. Het resultaat is een waardige en contemplatieve lofzang.
Wie goed luistert hoort hoe de melodie als het ware in het midden van de muziek ligt. Terwijl de andere stemmen zich vrij bewegen, blijft de koraallijn rustig en onverstoorbaar aanwezig. Het geeft de muziek een bijzondere rust: de melodie vormt het centrum waar alles omheen draait.
Op deze pagina begint een kleine reis door het orgelwerk van Bach. Niet als complete encyclopedie — daar zijn al bibliotheken vol van — maar als een persoonlijke ontmoeting met muziek die al bijna drie eeuwen klinkt. En nog steeds dezelfde vraag stelt: blijven we luisteren?