Little Prelude and Fugue in E minor, BWV 555, behoort tot de reeks van acht korte preludes en fuga’s, BWV 553–560. Deze stukken zijn lang met Johann Sebastian Bach verbonden geweest, maar de toeschrijving is onzeker. Waarschijnlijk komen zij uit de omgeving van Bach of uit de bredere Duitse orgeltraditie van de achttiende eeuw.
Dat maakt het stuk niet minder bruikbaar of minder mooi. Het is een klein orgelwerk waarin eenvoud, ernst en vakmanschap dicht bij elkaar liggen. Geen groot monument, maar een helder gebouwd stuk dat laat horen hoe sterk een kleine muzikale gedachte kan zijn.
De prelude staat in E mineur en heeft daardoor meteen een wat ernstiger kleur. De muziek beweegt rustig maar doelgericht. Er is geen overbodige versiering; alles lijkt te dienen om de toon van het stuk vast te houden: sober, geconcentreerd en enigszins ingetogen.
De fuga sluit daar mooi op aan. Het thema is kort en duidelijk, en wordt door de verschillende stemmen opgepakt alsof er een gesprek ontstaat. Niet luid, niet dramatisch, maar met een zekere innerlijke spanning. Je hoort hoe het ene lijntje het andere oproept, en hoe uit iets kleins langzaam een geheel ontstaat.
BWV 555 is een goed voorbeeld van muziek die niet veel ruimte nodig heeft om iets te zeggen. De kracht zit niet in spektakel, maar in orde, beweging en concentratie. Het stuk vraagt niet om bewondering op afstand, maar om aandacht van dichtbij.
Misschien is dat de charme van deze kleine preludes en fuga’s. Ze doen alsof ze eenvoudig zijn, maar ondertussen leren ze de luisteraar precies waar muziek vaak begint: bij een thema, een richting, een ademhaling, en de vraag wat daaruit kan groeien.