Nun komm, der Heiden Heiland is een adventskoraal. De tekst gaat terug op de oude Latijnse hymne Veni redemptor gentium, later door Maarten Luther in het Duits bewerkt. Het lied roept de komst van de Verlosser op: niet als luid spektakel, maar als een verwachting die langzaam dichterbij komt.
Bij Bach wordt dit koraal geen eenvoudig gemeentegezang, maar een innerlijke meditatie. De melodie blijft herkenbaar, maar wordt gedragen door een rijke, vloeiende begeleiding. Alsof het oude lied niet alleen gezongen wordt, maar van binnenuit opnieuw begint te ademen.
BWV 659 behoort tot de zogenoemde Leipziger Choräle, een verzameling grote koraalbewerkingen voor orgel. In deze bewerking ligt de koraalmelodie sierlijk en expressief boven de andere stemmen. Zij beweegt langzaam, bijna zingend, terwijl daaronder de begeleiding zacht voortstroomt.
De muziek heeft een bijzondere rust. Er is geen haast, geen uiterlijk vertoon. Alles lijkt gericht op verwachting, concentratie en licht. Bach maakt van het koraal geen preek, maar een ruimte waarin de luisteraar even mag blijven staan.
BWV 659 is een van die stukken waarin Bach laat horen hoe diep eenvoud kan worden. De melodie is oud en herkenbaar, maar krijgt door zijn behandeling een bijna tijdloze intensiteit. Het is muziek die niet naar voren springt, maar langzaam naar binnen werkt.
Misschien is dat de kracht van dit stuk. Het vertelt niet dat er iets komt; het laat voelen hoe wachten klinkt. En soms is dat bij Bach genoeg: een oude melodie, een langzaam stromende begeleiding, en ergens daarachter het vermoeden van licht.