An Wasserflüssen Babylon betekent: “Aan de waterstromen van Babylon.” De tekst van dit koraal is gebaseerd op Psalm 137, waarin het volk Israël in ballingschap bij de rivieren van Babylon zit en terugdenkt aan Jeruzalem. Het lied drukt een diep gevoel van heimwee, verdriet en verlangen naar het verloren vaderland uit. De melodie werd in de Lutherse traditie een belangrijk koraal en werd door Johann Sebastian Bach gebruikt in verschillende orgelbewerkingen.
Dit stuk behoort tot de Leipziger Choralen, een verzameling grote koraalbewerkingen die Bach in zijn latere jaren in Leipzig samenbracht. In deze uitgebreide bewerking klinkt de koraalmelodie langzaam en plechtig, terwijl de andere stemmen een rijk contrapunt vormen. Kenmerken van deze muziek:
• De koraalmelodie beweegt langzaam en plechtig.
• De begeleidende stemmen vormen een dicht contrapuntisch weefsel.
• De muziek heeft een contemplatieve en bijna melancholische sfeer.
In sommige versies van dit stuk verschijnt ook een dubbele pedaalpartij, wat voor organisten een bijzondere technische uitdaging vormt.
Wie naar dit stuk luistert hoort hoe de melodie langzaam en plechtig door de muziek heen beweegt, terwijl de andere stemmen een rijk contrapunt vormen. Het resultaat is een muziek die tegelijk rustig en intens is.
Er bestaat een bekende anekdote over dit koraal. De achttiende-eeuwse Bach-biograaf Johann Nikolaus Forkel vertelt dat Bach eens een lange improvisatie over An Wasserflüssen Babylon speelde die bijna een half uur duurde. Aan het eind van de improvisatie zou een luisteraar hebben gezegd: “Ik dacht dat er geen einde aan zou komen — en toch had ik graag nog langer willen luisteren.” Of het verhaal precies zo gebeurd is weten we niet, maar het laat wel zien hoe diep dit koraal in de Bach-traditie werd gewaardeerd.
Op deze pagina begint een kleine reis door het orgelwerk van Bach. Niet als complete encyclopedie — daar zijn al bibliotheken vol van — maar als een persoonlijke ontmoeting met muziek die al bijna drie eeuwen klinkt. En nog steeds dezelfde vraag stelt: blijven we luisteren?